Internationale syndicale projecten met lokale vakbonden

 

 Wereldkaart internationale projecten ABVVAfrikaAziëLatijns-Amerika en de CaraïbenNoord-Amerika: geen projectenOceanië: geen projectenEuropa: geen projecten

 

                      

Afrika:

Benin, Congo, Kenia, Malawi, Rwanda, Zuid-AfrikaUni-Africa

Azië:

China, India, Palestina
 

Latijns-Amerika en Caraïben:

Colombia, Cuba, Peru


 

Afrika


Benin
Veiligheid en gezondheid, zoals hier in de negentiende eeuw.

 

 


Benin is een van de armere landen van West-Afrika. Het gemiddelde inkomen ligt er iets boven 1 dollar per dag. De meeste mensen halen dit schrale inkomen in de zogenaamde informele sector, een overlevingseconomie waarin je dag na dag genoeg probeert bij mekaar te scharrelen om aan eten te komen. Niet direct een land dat je zou associëren met vakbonden. Toch is er een grote nood om zich te verenigen.

In 2000 was het ABVV uitgenodigd op het congres van het vrouwenbureau van de CSA. Daarna werden we sporadisch op de hoogte gehouden van de plannen en de noden. Geleidelijk bouwden we een relatie uit. Zo ontstond een project over de nieuwe gezinswet in Benin, dat we nu al enkele jaren steunen.

De nieuwe wet geeft vrouwen meer rechten, onder andere om te erven en financiële middelen te beheren. Dit is nieuw voor Benin, waar alle machtshefbomen bij de mannen zaten. De wet mag er dan wel zijn, niet iedereen kent er de draagwijdte van, of heeft een juist idee over de inhoud.

In die informele sector werken zo’n 90 procent vrouwen. We gaan nu onder andere de markten op, waar de verkoopsters, de coiffeuses, de garagisten en de handelaars allerhande hun zaakjes doen. Op die markten worden informatiesessies over de nieuwe wet georganiseerd. De wet heeft immers een directe impact op de werksituatie. De vrouwen in de informele sector kunnen meer zelf de vruchten van hun werk beheren. Stilaan dringt dit door en beginnen de vrouwen zich te organiseren.

Het kan vreemd lijken een vakbond bezig te zien temidden van wat men bij ons kleine zelfstandigen zou noemen. Maar het is dé manier om die mensen te helpen. De nieuwe wet en onze informatiecampagnes geven ons de kans andere heikele punten ter sprake te brengen.

Als we een atelier helpen opzetten waarin zeven naaisters samen werken in een coöperatieve en als ze op die manier de prijzen beter kunnen controleren, is dat toch gunstiger dan wanneer ze tegen elkaar op concurreren? Het is vergelijkbaar met de thuisarbeidsters in de negentiende eeuw bij ons. Vakbonden hebben altijd geageerd tegen uitbuiting, onveiligheid op het werk en het ieder-voor-zich principe, en dat is in Benin niet anders.


Onze Partners

Onze partner is CSA (Confederation des Syndicats Automomes du Bénin – de Confederatie van Autonome Vakbonden van Benin). De CSA werd in 1991 gesticht en groepeert nu 118 vakbonden. Die staan allemaal voor pluralisme en onafhankelijkheid tegenover de politieke partijen. De bonden zijn gewoonlijk per bedrijf georganiseerd, en niet per sector, vandaar het grote aantal. De meeste middelen worden ingezet voor veiligheid en gezondheid op het werk. De CSA is partner van het Federaal en het Waals ABVV.

 

Getuigenissen

“Ik was al eens naar een samenkomst geweest waar ze ons de nieuwe wet over het gezin hebben uitgelegd. Ik dacht jaja, het zal wel zijn. Een wet die de vrouwen ten goede komt, ga dat elders vertellen. En nu vertellen jullie ons hetzelfde. Ik ben gaan denken: met die blanken erbij, het zal misschien toch waar zijn. Voor mijn generatie zal het wellicht niet veel meer uitmaken, maar voor onze kinderen is dit wel goed nieuws".
Een oudere vrouw op de markt in Cotonou.

 

Wat doen we

Wie Cotonou bezocht heeft, kent de befaamde Taxi-Moto’s, brommertjes die als taxi dienen en de stad in de geuren van illegaal verkochte benzine drenken. De Waalse Intergewestelijke heeft een project dat de chauffeurs de wegcode bijbrengt en helpt hun basisveiligheid te verbeteren. Men kijkt de motoren na en probeert de chauffeurs met een degelijke helm uit te rusten.

 

Werk aan de winkel in de informele sector.

In Afrika werken de meeste mensen in de “informele" sector. Zij proberen te overleven met handeltjes in fruit, groenten, soms al eens plastic zakken of scheermesjes. Je kan werkelijk alles op de weg en langs de straten vinden. Deze mensen zijn niet georganiseerd, moeten opboksen tegen de beter uitgebouwde distributie en hebben geen enkele bescherming. Hun opbrengst van de dag dient om diezelfde dag het eten te betalen.

 

Veiligheid en ervaring delen.

Wat doen we in een land als Benin? In eerste instantie hebben we te maken met een land dat weinig gestructureerde bedrijven telt. Vanaf 5 leden heb je al een vakbond, dus krijg je een grote versnippering. De meeste bonden zijn niet sterk genoeg om te kunnen staken. Er wordt wel hard geijverd voor het oprichten van comités voor veiligheid en gezondheid. We werken aan een plan om in de chemie, de bouw, de cementindustrie, de voedingsindustrie en de textielindustrie de veiligheid en gezondheid aan te pakken. Het gaat er om de arbeiders op hun rechten en de wet te wijzen en ze bewust te maken van de gevaren. Het blijft een syndicaal principe dat de werkgever veiligheidsmateriaal ter beschikking moet stellen en de naleving van voorschriften moet garanderen. Ook in Benin. Maar als ABVV geven we toch middelen om hen vooruit te helpen. Tenslotte gaat het dikwijls om mensenlevens. Een helm dragen op het werk vinden we hier evident en noodzakelijk, maar je vraagt dat wel aan mensen die in hoge temperaturen werken, dus zo eenvoudig ligt dat niet. We helpen hen met planningen op te stellen voor de acties, met de aanpak van wat haalbaar is. Af en toe sturen we syndicale experten vanuit België om hen met onze ervaring verder te helpen. Bijvoorbeeld hoe we op een eenvoudige, toegankelijke manier veiligheidsaffiches opmaken, campagnes organiseren…

 

Congo
Zelfs tijdens de burgeroorlog bleven we praten met elkaar.


Een land dat vijf jaar in een burgeroorlog verwikkeld is geweest biedt niet de beste voedingsbodem voor een rustig sociaal klimaat. In de Democratische Republiek Congo (zoals Congo nu heet) maken de vakbonden zich op om een sociale dialoog op te starten.

“Gedurende de hele burgeroorlog toen het land in twee (of soms zelfs meerdere) delen was opgesplitst, zijn we met elkaar in contact gebleven", zeggen de vakbondsmensen van de Cossep, “tussen ons was er geen probleem". De Cossep verenigt de werknemers in de overheidssector, de ambtenaren, dokters, leraars, magistraten en journalisten.

De overheidsdiensten kampen met dezelfde problemen als het overgrote deel van de Congolezen: het loon volstaat lang niet om rond te komen. “Er is een akkoord dat we 208 dollar per maand zouden gaan verdienen, maar nog steeds ligt het rond de 100 dollar, terwijl de Verenigde Naties de levensduurte op 300 dollar hebben geschat... in 1995 al". Samen met de ACOD van het ABVV wil het project in Congo die problemen aanpakken. In de eerste plaats is er vorming nodig, maar ook een goede structuur, door in elf provincies van het land lokale afdelingen op te zetten.

2008 is een pilootjaar. “We trekken de 11 provincies rond om onze structuur uit te leggen. Ik zal heel wat kilometers moeten afleggen," zegt Jean-Pierre Kimbuya. “Maar het belangrijkste is toch dat we een duurzame organisatie opbouwen. Wij willen het nu anders aanpakken. We moeten een stevige basis vormen om verder te kunnen bouwen op wat we al hebben gerealiseerd".

“We hebben paritaire onderhandelingen, maar we stoten steeds weer op het probleem van onze zwakke representativiteit. Zo kan je wel sociale akkoorden onderhandelen over een minimumloon, maar als het erop aankomt om de toepassing ervan in de praktijk af te dwingen, staan we te zwak en zijn we met te weinig. We hebben ook geen traditie in het onderhandelen. Vroeger werd er bij ons niet onderhandeld, er werd gevochten. En vaak tegen een militaire overmacht. Nu willen we een soort code opzetten voor een sociale dialoog. We willen een structuur creëren, en tegelijk leren onderhandelen en dialogeren. Tonen dat het zo ook kan".


Volgens de Verenigde Naties is 61% van de Congolese bevolking ondervoed


“De keuze van het partnerschap tussen de ACOD en de COSSEP is niet toevallig", zegt Patrice Dagnelie, verantwoordelijke voor de pers en vorming bij de ACOD, “telkens we op bezoek gingen bij de COSSEP hebben we gemerkt dat ze efficiënt en ernstig werkten. Maar er is meer. Congo is een land waar de arbeiders nog geen dollar per dag verdienen en waar iedereen van dag tot dag probeert rond te komen. De oorlog, de corruptie, de schuldenlast, de structurele aanpassingen die de internationale financiële instituten het land oplegden,… maakten van de staat een ruïne. Het is in deze context dat de Cossep aan een maatschappij wil meebouwen die gestoeld is op democratische waarden. We zien de absolute noodzaak om weer coherente publieke instellingen op te zetten als basis voor de massale heropbouw die de burgers nodig hebben om uit de armoede en afhankelijkheid van liefdadigheid te geraken en weer een menswaardig en waardig leven te kunnen leiden".

 

Onze Partners

De Cossep is een organisatie met 28.000 leden: ambtenaren, dokters, leraars, magistraten en journalisten. COSSEP staat voor Conseil Syndical des Services Publics et Privés. De Algemene Centrale der Openbare diensten (ACOD) heeft al sinds jaar en dag vriendschappelijke en syndicale relaties met de overheidsvakbonden in Congo. Vooral vanaf 2003 is er heel wat aandacht naar vorming gegaan. De meeste aandacht ging daarbij naar de vorming in het kader van een groot pacificatieproject in de regio van de grote meren, om er een sociale dialoog herop te starten. Sinds 2007 heeft de ACOD nog een tandje bijgestoken: een partnerschapsengagement met een project tot 2011.

 

Kenia
Op de werkvloer ijveren tegen aidsdiscriminatie

 

Mensen die lijden aan aids of besmet zijn met het hiv-virus worden over de hele wereld gediscrimineerd. De Keniaanse Metaalbond heeft van dit probleem een van zijn voornaamste strijdpunten gemaakt. De werkvloer is een goede plek om met preventie en zorg te beginnen. De vorming begint bij de vakbondsleiding.

In een land als Kenia, dat zo zwaar getroffen is door het hiv-virus, lijkt het evident dat ook de vakbond actie onderneemt. Toch heeft het een tijd geduurd. Dat had te maken met het fenomeen dat in Kenia verschillende maatschappelijke bewegingen verweven zijn met elkaar. De religie is er heel prominent aanwezig, ook binnen de vakbondsleiding. Dan is de rationele benadering van het hiv-vraagstuk ver weg.

Een van de bepalende factoren voor de resultaten van de behandeling is het feit dat ze op tijd en stond moet gebeuren, een notie die in Afrika wat vreemd is aan de cultuur. Het op vaste tijdstippen innemen van de medicijnen is nog het best te organiseren in de fabriek.
Bovendien rekent men voor de informatie en preventie op een domino-effect. De ene spoort de andere aan, niet alleen op het werk, maar ook thuis, onder familie en vrienden. In de cao’s probeert de vakbond ook afspraken vast te leggen over behandeling en preventie.
Dat lukt aardig, want uiteindelijk is het ook in het voordeel van de werkgevers. Net als in Zuid-Afrika steunen die de inspanningen tegen aids en hiv, omdat ze aan die gesel te veel opgeleide arbeiders verliezen. In ieder geval wil men af van de oude (en nog steeds in gebruik zijnde) vorm van “preventie" vanwege de werkgever: de zieke aan de deur zetten en aan zijn of haar lot overlaten.

Het project met de Keniaanse metaalvakbond KEWU gaat net over de aids-problematiek op de werkvloer, over het vertrouwen winnen bij de arbeiders, de zorg organiseren en vooral duidelijke afspraken maken. De arbeiders zijn bang dat ze hun werk kwijtraken als een test uitwijst dat ze besmet zijn. Bovendien dreigt die persoonlijke informatie zich als een lopend vuurtje te verspreiden, zodat ze ook buiten de fabriek met de vinger gewezen worden. De totale sociale uitsluiting is dan niet ver meer af.

Het project besteedt ook veel aandacht aan de vorming van de vakbondsleiders in communicatie, onderhandelingstechnieken, arbeidswetgeving, ledenwerving en over hiv en aids zelf.

Het moeilijke voor ons, hier in België, is dat we soms geen idee hebben over hoe het loopt in Afrika, hoe we de cultuur en de verschillen in kunnen schatten. Zo waren we op bezoek in een bedrijf waar alles heel goed leek te gaan, een modelsituatie, één voor in het boekje. Amper enkele dagen na ons bezoek werden alle vakbondsafgevaardigden ontslagen. De Keniaanse wetgeving verbiedt dit, maar het is heel moeilijk om ze toegepast te zien in de praktijk.
Als er al een rechtszaak aangespannen wordt, tonen de werkgevers zich erg bedreven in het omkopen van rechters. Bedrijven slagen er vaak in de vonnissen op de zeer lange baan te schuiven. Uiteraard zijn de arbeiders daar de slachtoffers van. Ze beseffen ook dat ze vervangbaar zijn, dat er buiten de fabriekspoort duizenden anderen smeken om desnoods voor nog minder geld , met nog minder bescherming, te komen werken. Zolang die toestand aanhoudt ben je als vakbond heel kwetsbaar.

In Kenia zijn meer dan anderhalf miljoen volwassenen en kinderen geïnfecteerd met het hivvirus.
De meeste situeren zich in de groep van de 15- tot 49-jarigen en vooral de categorie van de 20-29 jarigen is zwaar getroffen. Laat dat nu net de mensen zijn die bij een normale gang van zaken het sterkst zijn en de economie van de samenleving dragen.

 

Onze Partners

De Kenya Engineering Workers’ Union (de metaalvakbond van Kenia) werd opgericht in 1959 en telt 10 afdelingen verdeeld over zes geografische zones. Tien parttime afdelingssecretarissen en 5 provinciale secretarissen zorgen er voor de permanentie. KEWU heeft een goede 5.000 leden. De metaalvakbond is een van de 26 vakcentrales die samen de COTU (Central Organisation of Trade Unions) (K) vormen, goed voor een 500.000 leden en ongeveer een derde van alle officiële arbeiders in Kenia. KEWU is partner van ABVV Metaal. www.cotu-kenya.org 

 

Malawi
Hotels, vrouwenrechten en hiv/aids.


Malawi is een arm land in zuidelijk Afrika, waar de mensen voornamelijk van de landbouw leven. De economische ontwikkeling verloopt met horten en stoten. Een groeisector is het toerisme. De horeca en de hotelsector zullen in de ontwikkeling een belangrijke rol spelen.

In een land als Malawi is de sector van de hotels en de restaurants nog moeilijker te organiseren dan bij ons. Zwartwerk, onregelmatige uren, flexibiliteit, lage lonen… Het is schering en inslag. De horecawerkers zitten verspreid over kleine bedrijfjes in het hele land. Ze bereiken is geen sinecure als je geen toerist in een 4x4 bent. Na de aanslagen van 11 september 2001 brak een crisis uit in de prille toerismesector. Vliegtuigen kwamen bijna leeg aan. Hotels gingen over de kop. De getroffen werknemers hadden nauwelijks rechten. Er is een wetgevend kader in Malawi, maar dit doen respecteren is niet gemakkelijk. Geen gasten, geen werk, zo simpel was het.

Deze crisis kwam bovenop de problemen die sowieso al typisch waren voor de sector. Vrouwen worden niet als gelijkwaardig beschouwd. Dienstvaardigheid en vriendelijkheid doen hen ten prooi vallen aan seksuele uitbuiting en geweld. Niet alleen vanwege de baas, overigens. Waar hotels opduiken, steekt ook de prostitutie de kop op. De werknemers ontsnappen daar niet aan, ook al omdat ze vaak heel lang van huis weg zijn. In Malawi is een kwart van de bevolking besmet met hiv of is aidslijder. De cijfers zijn nog dramatischer onder de vrouwen in de toeristische sector.

Ondanks de vele campagnes zijn er nog veel mensen die niet echt weten wat aids is, die er nog steeds hekserij of westerse complotten in zien. Voor de vakbond is het een zaak om haar leden en de arbeiders te informeren over de realiteit van hiv en aids en over de wetgeving. Ze proberen dan ook hun pijlen te richten op het werven van leden, het afsluiten van cao’s, het informeren over hiv/aids en over de rechten van de vrouwen.

 

Onze Partners

Onze partner in Malawi is de Hotel Food Processing and Catering Workers Union (HFPCWU). Uiteraard werkt deze vakbond nauw samen met de Centrale Voeding-Horeca-Diensten (Horval) van het ABVV. De HFPCWU is een van de dertien vakcentrales van de Malawi Congress of Trade Unions (MCTU).

 

Rwanda
Er stond alleen nog een gebouw

 

 


Er was alleen nog wat infrastructuur over. Veel van de militanten en leden waren dood of verdwenen. "De documenten waren verbrand, maar het gebouw stond er nog, en we hadden onze naam". Dat was zowat alles wat er van de vakbond Cestrar restte na de genocide in 1994.

Als je zoiets meemaakt en honderdduizenden mensen worden gedood, dan gaat het niet zomaar over. Ook nu leeft het nog elke dag in de maatschappij. Het was na “de gebeurtenissen" niet de prioriteit om een vakbond terug uit te bouwen, dat kwam pas na het eerste herstel. Maar er waren nog mensen die met de vakbond te maken hadden en zij hebben de draad weer opgenomen, in eerste instantie zonder loon en zonder leden en dus ook zonder inkomsten.

Cestrar, onze partner in Rwanda, bestaat al sinds 1985. Sinds de genocide heeft de vakbond zich kunnen herpakken. Een multi-etnische vakbond, die zijn plaats heeft gevonden in de nieuwe maatschappij die er wordt uitgebouwd. Cestrar won de voorbije sociale verkiezingen in Rwanda met glans

 

“We hebben het syndicalisme opnieuw moeten uitleggen na de genocide, daar zijn we nog altijd mee bezig".


Negentig procent van de arbeiders in de steden werkt in de informele sector, waarin de mensen van kleine handeltjes leven, van wat wij klusjes zouden noemen. Op het platteland is dat bijna 100 procent. Werk dat niet gereglementeerd is en niet verzekerd, en waar de deur open staat voor allerlei misbruiken. De mensen in die sector leven van dag tot dag, onzeker over wat het de volgende dag weer wordt. Vakantie, sociale verzekering, werkzekerheid of ziekteverlof horen daar uiteraard niet bij.

Het is een heel kwetsbare groep mensen, ze staan heel zwak tegenover hun werkgever en zij krijgen het meest te maken met armoede en uitbuiting. “Als we de armoede willen bestrijden, dan moeten we iets doen aan de informele sector en die “formaliseren", er een statuut aan geven en het doen respecteren", vindt Cestrar.

Veel gewone – formele - bedrijven gebruiken ook arbeiders uit de informele sector, daar wil de vakbond in de eerste plaats iets aan doen. Ze hebben het vooral op de sector van de theeplantages, theeverwerking en de bouw gemunt. In de theeplantages worden vaak “informele" arbeiders (we zouden het hier zwartwerkers noemen) ingezet op de gevaarlijkste plekken van de fabriek. Daar waar het theestof de luchtwegen het meest aantast. Daar waar de voeten het meest verwond geraken op de plantages.

Daarnaast voeren we campagnes voor veiligheid en gezondheid op bouwwerven. Er wordt veel gebouwd in Rwanda, maar de omstandigheden zijn vaak hemeltergend. Mensen worden aangeworven zonder enige ervaring, maar ze hebben dat loon nodig. Er werken veel vrouwen in de bouw die als ze zwanger zijn tot de laatste dag van hun zwangerschap moeten werken om wat geld te verdienen. Het gaat dan om dagloners die hun rechten niet kennen en een speelbal worden in de handen van de werkgever. Wie protesteert kan ’s anderdaags thuis blijven.

 

Getuigenis

“Ikzelf ben in 1999 begonnen als syndicalist. Ik werkte in een theefabriek. Ik was er chef van de dienst, een soort ploegbaas, en ik kreeg al de mensen over de vloer die iets te vragen hadden. Al die persoonlijke problemen, de ene wou dit, de andere dat. Ik dacht dat het beter zou zijn dat de mensen zich verenigden en samen hun grieven en eisen en suggesties konden overbrengen aan het personeelsbeleid. Ik schreef een brief aan de baas. En misschien heeft het geholpen dat ik chef was, maar het management vond dat een goed idee. Ze waren er blij mee, want dat zou hen van veel gezeur afhelpen. Ze vonden het efficiënter dan elk probleem apart te moeten behandelen. Zo hebben we zonder veel tegenstand van het management een vakbond opgericht. Ze dachten dat het goed personeelsbeleid was. Later toen we actie voerden voor een hoger loon hebben ze ingezien dat het van hun kant een vergissing was natuurlijk".

Africain Biraboneye, coördinator van het project.

 

Onze Partners

Cestrar (Centrale des Syndicats des Travailleurs du Rwanda) is de meest representatieve vakbond van Rwanda. Hij is gegroeid uit de vroegere eenheidsvakbond, maar vaart al sinds 1991 een onafhankelijke koers. Tussen 2003 en 2005 zette de vakbond een stap verder door zich te decentraliseren naar de regio’s Cyangugu, Butare, Gysenyi, Byumba en Gitarama waardoor ze bijna in het ganse land veel dichter bij de werknemers staan. CESTRAR is partner van ABVV Federaal. www.cestrar.org 

 

Zuid-Afrika
Iedere zaterdag begraven we onze kameraden


Veel mijnwerkers in Zuid-Afrika zijn maanden van huis. Vaak komen ze uit de vroegere thuislanden, honderden kilometers weg. Ze leven in primitieve barakken nabij de mijnen of bouwwerven. Je ziet naast hun slaapkampen ook steeds andere kampen opgebouwd worden: die van de sekswerksters. Het is geen wonder dat de vakbond zich met de aidsproblematiek gaat bezighouden.

“Het is duidelijk waarom in Zuid-Afrika een vakbond met aids begaan is", zegt Lieven Vanhoutte van de Algemene Centrale. “Elke zaterdag komen de vakbondsmensen samen om vrienden en medewerkers te begraven die aan de ziekte zijn bezweken. Dat hou je niet lang uit zonder er zelf iets aan te willen doen".

In Zuid-Afrika zijn de mijnwerkers en bouwvakkers samen verenigd in een vakbond, de National Union of Mineworkers (NUM). Ze werken er met “peer educators". Die mensen, die dikwijls zelf hiv-aids patient zijn, hebben al een heel traject van besmetting en ziekte achter de rug, en zijn heel sterk in het overtuigen van mensen.

Een probleem van het werken met peer educators is de continuïteit. Zo werden er 350 peer educators opgeleid voor ons project in Zuid-Afrika. Daarvan zijn er nog 250 actief. Ze hebben zelf hiv en sterven jong. Amper een derde van de peer educators gaat effectief lange tijd door, de meesten halen hun 35 ste levensjaar niet. De opleiding wordt zo een zeer arbeidsintensieve en dure zaak.

 

“Vrouwen in Zuid-Afrika hebben vier keer meer kans HIV op te lopen dan mannen"


Zuid-Afrikaanse werkgevers zijn wel gevoelig voor het probleem. Als ze mensen opleiden die snel overlijden, is dat ook niet goed voor hen. Vandaar dat sommige peer educators door de werkgever worden betaald en in de bedrijven vrij kunnen werken. Het is meteen een manier voor de vakbond om voet aan de grond te krijgen en het vakbondswerk te kunnen opstarten.

De Zuid-Afrikaanse realiteit maakt het informeren van mensen ook heel ingewikkeld. Folders en brochures moeten telkens weer in 16 verschillende talen worden gedrukt, anders kunnen de mensen het niet lezen en schieten we ons doel voorbij. Arbeiders komen uit het hele land. Meer en meer worden de fabrieken en mijnsites bevolkt door arbeiders uit andere delen van Afrika.

Zuid-Afrika is een van de landen waar het meest wordt geïnvesteerd in preventie van aids. Condooms worden wijd en zijd gratis verspreid. Toch blijft het land met één van de allerhoogste hiv-cijfers opgescheept. Ongeveer een vijfde van de bevolking is besmet.

 

Onze Partners

De National Union of Mineworkers (NUM) is partner van de Algemene Centrale van het ABVV. De NUM verenigt zowel mijnwerkers als bouwvakkers. Veel grote bouwwerven bevinden zich in de buurt van de mijnsites. De Num telt ongeveer 270.536 leden en is daarmee veruit de grootste vakcentrale van COSATU (Congress of South African Trade Unions) www.num.org.za

Er loopt ook een project met SACTWU (South African Clothing and Textile Workers Union). Ze hebben een partnerschap met de vakcentrale TKD (Textiel, Kleding en Diamant) van het ABVV. Met zijn 110.216 leden is het eveneens de grootste vakcentrale van zijn sector in Zuid-Afrika.
www.sactwu.org.za
www.sactwuaidsproject.org.za 

 

Uni-Africa
Een netwerk van Afrikaanse landen uit de grond stampen


Hiv en aids hou je niet tegen aan de bedrijfspoort en ook niet aan de grens. Het probleem kan alleen aangepakt worden door grensoverschrijdende actie. Onze partners in Afrika hebben er belang bij hun ervaringen en technieken te delen met collega’s en elkaar tot steun te zijn. Vandaar dat het ABVV de komende vijf jaar een netwerk van vakbondsorganisaties uit 16 Afrikaanse landen helpt ervaringen uit te wisselen, om samen sterker te staan.

De sterkst georganiseerde landen met veel ervaring in de vakbondswerking rond de hivproblematiek– zoals Zuid Afrika - kunnen “beginners" zoals Kenia een hand toesteken.
Het middelpunt van ons netwerk ligt in Zambia, waar het hoofdkantoor van UNI-Africa gevestigd is. Zambia is een land dat harde klappen kreeg. Zeventien procent van haar inwoners is drager van het virus.

In de eerste plaats wordt het werk concreet gemaakt door kaderakkoorden af te dwingen bij bedrijven die in verschillende landen vestigingen hebben. Zo zijn er Zuid-Afrikaanse supermarktketens die in de hele regio actief zijn, maar in elk land een ander beleid voeren. Het is de bedoeling “goede voorbeelden" uit te voeren via die internationale bedrijven, en meteen een inspirerend voorbeeld te geven aan de lokale ondernemingen.

Zo zal het netwerk de opleiding van “peer educators" gezamenlijk bekijken. Ook wil het er voor ijveren dat zoveel mogelijk mensen zich laten onderzoeken op vrijwillige basis.

Zal het onderzoek vertrouwelijk blijven? Worden werknemers niet direct ontslagen als ze positief blijken te zijn? Daar wil men over waken. Andere doelstellingen zijn een doeltreffender verzekering, meer verzorging en betere verspreiding van aidsremmende medicijnen.

De Engelstalige Afrikaanse landen zullen zich bij het netwerk aansluiten. Het gaat om Kenia, Lesotho, Zuid-Afrika, Zambia, Zimbabwe en Malawi.

 

Onze Partners

Dit project wordt gesteund door BBTK, de Bond voor Bedienden, Technici en Kaders van het ABVV. De partner UNI-Africa groepeert dienstenvakbonden in de betrokken landen. UNI-Africa is de Afrikaanse afdeling van UNI, Union Network International, de wereldfederatie van dienstenvakbonden. www.union-network.org

 

 

Azië

 

China
Evenwichtsoefening


China is een wereldmacht in wording en het is onbekend terrein voor ons. De Belgische bedrijven worden daar actief. China komt dikwijls negatief en als een bedreiging in het nieuws: doden in de mijnen, uitbuiting van migranten, lage lonen, delokalisatie, schending van de mensenrechten… De Chinese eenheidsvakbond ACFTU heeft evenveel leden als de rest van de wereld samen, maar ze worden in één adem genoemd met de communistische partij. We hebben het daar moeilijk mee, onafhankelijkheid blijft belangrijk voor het ABVV. De ACFTU heeft het wel als enige vakbond in de wereld klaargespeeld syndicale vertegenwoordiging in de Wall Mart keten te verzekeren. Wall Mart, de Amerikaanse grootwarenhuisketen wereldwijd berucht voor hun harde antisyndicale houding.

Dat kan toch alleen maar een goede zaak zijn voor de Chinese werknemers? En we zien nog positieve evolutie, er is daar van alles aan het gebeuren.

Wij als werknemers mogen ons niet laten opzetten tegen de Chinese werknemers. Tegelijkertijd krijgen we berichten binnen van stakingsbrekers, van sociaal geëngageerde mensen die in werkkampen worden geplaatst.

En zo’n zaken zijn voor het ABVV onaanvaardbaar. Maar we kennen ze niet, we kennen de visie en mening van de Chinese werknemers niet. En onze leden hebben er almaar meer vragen over. Dat verontrust ons, we kunnen dat toch niet zomaar laten liggen, niks doen? Projecten zijn vaak de enige manier om het van binnen uit te leren kennen.

Daarom dat we de mogelijkheden aan het bekijken zijn om een informatieproject met de ACFTU op te starten… Maar het zal een moeilijke evenwichtsoefening worden tussen de prioriteiten van het DGOS (dankzij wie we onze werking gevoelig hebben kunnen uitbreiden), deze van het ABVV, de haalbaarheid in de praktijk…. Zonder te spreken over de grote cultuurverschillen, de taal…

 

India
Bijsturen
 

Hetzelfde zie je in India waar we met de BBTK een tijdje in de informaticasector hebben gewerkt, omdat die sector een impact heeft op de sector hier. Denk maar aan de hele outsourcing problematiek. Daar zijn de voorbije jaren heel interessante uitwisselingen rond geweest. Nu beschouwt de Belgische ontwikkelingssamenwerking die wat geprivilegieerde sector niet als een prioriteit. De nood is bij andere segmenten van de werknemers hoger, stellen ze. Daar kunnen we inkomen, dus moeten we daar rekening mee houden. Zo zie je maar dat we af en toe moeten bijsturen.

De BBTK, de Bond voor Bedienden, Technici en Kaders van het ABVV, start vanaf 2009 een nieuw project op in India. Bedoeling is de werknemers in de kleinhandel beter te organiseren, met Bangalore en Delhi als pilootregio’s. Onze partner wordt UNICOME, Union for Commerce Sector Employee’s.

 

Palestina
Ter voorbereiding van vrede en een volwaardige staat
 

Wat doe je met een vakbond in een land dat nog niet echt een land is maar een “gebied", waarvan je de gegevens moet bij mekaar sprokkelen omdat atlassen en officiële sites er nog geen rekening mee houden? Wat doe je met de werknemersbelangen in een land dat nog steeds grotendeels bezet is? Vooruit kijken en alles voorbereiden voor als het zover is.

Het is niet evident om een project te starten in Palestina, een gebied in een staat van bijnaoorlog, heeft zo zijn eigen dynamiek. Dus was de keuze voor een project moeilijk, vakbonden staan er nog in een pril stadium. Het ABVV en haar vakcentrales kozen voor een samenwerkingsverband met de PGFTU. Het is de enige vakbond die zich democratisch en onafhankelijk heeft verklaard van de politiek, ondanks het feit dat ze gegroeid zijn vanuit de Fatah beweging van Yasser Arafat. Die navelstreng doorsnijden om als vakbond helemaal onafhankelijk te zijn was strikt noodzakelijk.

De omstandigheden zijn er niet rooskleurig voor een syndicale beweging. In de akkoorden van Oslo waren grote investeringen voorzien van Europa. Men had gedacht dat de economie zou open bloeien als nooit ervoor, maar het tegendeel is waar. Wat er is overgewaaid van Israël aan bedrijven zijn zwaar vervuilende fabrieken die niet meer in Israël konden blijven omwille van milieuwetgeving. Tegelijk wordt Palestina afgesloten van Israël en kunnen veel Palestijnse werknemers niet meer naar hun werk in Israël, dat nu uit andere landen nieuwe arbeidskrachten aanvoert. En dan hebben we het nog niet gehad over de economische wurging en vernedering van de Palestijnse werknemers door de vele checkpoints aan de muur.

De PGFTU (The Palestine General Federation of Trade Unions) besloot niet in het verleden te blijven maar verder te kijken met een zeker optimisme. Na de dood van Yasser Arafat heeft de vakbond een congres gehouden en daar zijn ze tot het inzicht gekomen dat ze misschien niet alleen tegen de bezetting moeten strijden, maar dat ze zich ook intern moet gaan voorbereiden op wat zou komen: een eigen Palestijnse staat. De PGFTU wil zich organiseren volgens sectoriele bonden en die vanuit de bedrijven uitbouwen. Tegelijk wil men een onafhankelijke en democratische vakbond op poten zetten.

De bond staat ondanks de situatie tamelijk sterk in Palestina. Dat heeft onder andere te maken met enkele werknemersvoordelen die met het lidmaatschap verbonden zijn (zoals een goedkopere ziekteverzekering). Ongeveer de helft van de geregistreerde werknemers zijn gesyndiceerd. Maar er ontbrak een elementaire organisatie. Zo is een eerste project dat loopt er één om een afdoende ledenadministratie op te zetten: te weten komen wie en hoeveel leden er nu precies zijn, en de bedrijfswereld in kaart te brengen. Het is pas wanneer de reële problemen in kaart gebracht zijn dat je kan zoeken naar goede oplossingen en je verder kan groeien.

In Palestina gaat het ons er om de structuren van de vakbond op poten te zetten zodat ze optimaal kan functioneren van zodra er vrede en een volwaardige staat is.

 

Onze Partners

De PGFTU (The Palestine General Federation of Trade Unions) is een federatie van 12 sectoriële bonden. Ze telt in totaal 318.052 leden. www.pgftu.org/En/

 

 

Latijns-Amerika en de Caraïben

 

Colombia
Naar de vergadering in een gepantserde jeep


Wanneer de vakbondsleiders zich door de stad begeven, doen ze dat met een bodyguard naast hen, het pistool in aanslag, in een gepantserde wagen. Vakbonden hebben het niet gemakkelijk in Colombia.

Colombia is bekend als een gewelddadig land, waar privémilities en drugskartels welig tieren, waar een guerrillaoorlog een groot deel van het land verdeelt en het neoliberalisme vrij spel heeft. In 2006 werden 70 vakbondsmilitanten vermoord, wat de teller op 4.000 brengt sinds 1990.

Syndicalisten worden in Colombia systematisch bedreigd, ontvoerd of zonder reden opgepakt. Het aantal moorden neemt af, maar het geweld niet. Het is niet altijd duidelijk welke militaire groepen officieel zijn en welke niet. De paramilitairen kregen onlangs nog een wettelijk statuut en vaak werken ze samen met een kluwen van privémilities.
Het maakt van vakbondswerk in Colombia in ieder geval een risicovolle en passionele bezigheid. Als één van de weinige landen in Latijns Amerika waar nog een ultra-rechtse regering zetelt, is het vaak ook moeilijk om het vakbondswerk los te koppelen van ideologie en politiek. Dan laaien de passies op, de donderende speeches die ons doen denken aan Daens en Anseele zijn er nog dagelijkse kost.

Ondanks het feit dat het recht op staken in de grondwet staat, wordt dat in de praktijk flink aan banden gelegd door de regering. Zo wordt de petroleumsector als een essentiële openbare dienst beschouwd, waarin staken verboden is.

Toen de Petroleumvakbond USO een staking uitriep in april 2004 werden 248 syndicalisten afgedankt bij het staatsbedrijf Ecopetrol. Zonder enig overleg werden langere werkdagen, een daling van het loon voor overuren, meer flexibiliteit, en een rits andere beperkingen op de collectieve arbeidsovereenkomsten opgelegd. Het aantal arbeiders dat onder een collectieve arbeidsovereenkomst valt dreigde te verminderen met liefst 30%. De USO won de staking en kon de essentiële CAO’s veilig stellen.

Ondanks het feit dat Colombia rijk is aan grondstoffen, leeft 60 procent van de families er op of onder de armoedegrens. De rijkdom is er niet gelijk verdeeld.52 procent van de inkomsten zijn er verdeeld over 20% van de bevolking en amper 2% van de landeigenaars bezit 53 % van het land.

 

Getuigenis

“Mijn werk bij de vakbond is niet zó gevaarlijk. Dat komt doordat ik in de vormingsdienst werk. Ik ben daar niet zo zichtbaar politiek bezig, het is voor de mensen die de standpunten innemen veel gevaarlijker. Ik loop alleen risico’s door mijn werk bij de Vredesbeweging (www.asambleaporlapaz.com). We willen de grote conflicten tegengaan door iedereen rond de tafel te brengen en naar een onderhandelde oplossing te komen in plaats van met de wapens. We hebben veel problemen en ik weet dat mijn land als een ‘hopeloos geval’ wordt gezien maar er is veel te doen. We werken er hard aan, we geven het niet op. Wat er vooral nodig is, is de politieke moed, ook van andere landen, om aan de armoede en de spiraal van geweld iets te doen."
Alexandra Bermúdez Osorio (Colombia)

 

Onze Partners

USO (Union Sindical Obrera – Syndicale Arbeidersunie) De USO is de petroleumvakbond van Colombia. Een buitenbeentje. Vrijwel alle andere vakbonden (727 in totaal) zijn kleinere bonden die per bedrijf georganiseerd zijn. Deze vakbond verenigt de arbeiders van de oliesector, een belangrijke en strategische grondstof in Colombia. Ze telt 5.500 leden, waarvan de meeste (3.000) werken bij de staatsonderneming ECOPETROL. De USO is een zeer militante vakbond. Zij eisten de nationalisering van de petroleumindustrie in de jaren 40, waarna Ecopetrol opgericht werd. De strijd tegen de privatisering is hun belangrijkste doel.De USO wordt gesteund door de Algemene Centrale van het ABVV. www.usofrenteobrero.org


CUT (Central Unitaria de Trabajadores de Colombia) De CUT is een koepel van de 727 vakbonden. Het is de meest representatieve vakbondskoepel van Colombia met meer dan 500.000 leden. De USO is aangesloten bij de CUT en ze werken al samen voor de vorming van de kaders en de leden. Ze proberen om bij het onderhandelen samen aan de kar te trekken en in de mobilisatie van de arbeiders de krachten te bundelen. Beide organisaties zetten zich ook in voor een beter mensenrechtenbeleid. Via een nieuw samenwerkingsproject met de Vlaamse Intergewestelijke van het ABVV willen we onze Colombiaanse kameraden nog extra ondersteunen. Zo wordt vanaf 2009 een nieuw project in de bloemensector opgestart.

 

Cuba
Een nieuwe rol voor de vakbond: openheid en heropstanding


Cuba is uit een diepe crisis aan het kruipen. Het eiland moet het op zijn eentje rooien na het wegvallen van de steun en de handelsrelaties met het ex-Oostblok. Het levensniveau van de Cubanen was tussen 1990-1993 tot een dieptepunt gezakt. Het eiland kende voedselschaarste en een gebrek aan primaire levensmiddelen. Ook was er regelmatig energieschaarste. De economische blokkade van de Verenigde Staten sinds 1962 versterkte die crisis nog. Het eiland is helemaal op zichzelf aangewezen. Tussen de neoliberale en sociale globalisering heeft Cuba haar keuze gemaakt voor een sociale verdeling van de rijkdommen. Hier speelt de vakbond een essentiële rol.

Een hervorming in 1992 introduceerde enkele nieuwigheden in Cuba zoals de openheid voor buitenlandse investeringen, het toelaten van buitenlandse deviezen, een reorganisatie van de openbare diensten en een regeling voor zelfstandige arbeid. Toerisme vond zijn ingang en het bezit van dollars werd niet meer bestraft. Een ernstige economische crisis was bezworen. Meer nog, sinds 1994 is de economie weer stabiel en is er sprake van groei. Toch zijn er tegenstrijdigheden. In die speciale periode zijn er vormen van ongelijkheid ontstaan door het al dan niet bezitten van vreemde valuta. Maar het drijvende principe in de ontwikkeling van het land blijft de mens. De sociale verworvenheden en de verdeling van de rijkdommen staan centraal in de hervormingen. Daarom ook dat ze vaak gepaard gaan met een verhoging van de productiviteit.

Het vakbondswerk is mee geëvolueerd. Om rijkdom te creëren wordt een hogere productiviteit en de inbreng van buitenlands kapitaal nagestreefd, en dat geeft de vakbonden de taak om daarbij toe te zien op de arbeidsvoorwaarden. De Cubaanse overheid regelt niet meer alles, de machtsverhoudingen zijn veranderd en bredere collectieve onderhandelingen zijn noodzakelijk.

De koopkracht is voor de vakbonden een belangrijk actiepunt in het Cuba van vandaag. Lokaal geproduceerde producten zijn nog betaalbaar voor de doorsnee Cubaan, maar het Amerikaanse embargo maakt geïmporteerde producten heel duur. Bovendien kan men die alleen kopen met sterke deviezen (tot voor kort de dollar en vandaag de Peso Cubano Convertible – CUC). Dit geldt bijvoorbeeld voor producten als shampoo, mayonaise, olijven, benzine of een Cd-speler. Gelukkig kunnen de Cubanen nog profiteren van een goede sigaar of een goed glas rum terwijl de salsa uit hun cassettespeler knettert.

In ieder geval stelt het loon – betaald in lokale peso – niet veel meer voor eens het omgezet is in dollars of CUC. Maar er blijft brood op de plank, ook nu er een trend is om lonen gedeeltelijk in CUC uit te betalen. De toeristische sector, waar deviezen vrijelijk circuleren, heeft wel nieuwe ongelijkheden gecreëerd onder de Cubanen, net als de vloedgolf aan dollars die vanuit Miami het land binnenstromen.

 

Onze Partners

De vakbondskoepel Central de Trabajadores de Cuba (CTC) en de metaalvakbond Sindicato Nacional de Trabajadores de la Industria Metalúrgica (SNTM) zijn onze partners in Cuba. De metaalsector is met zijn 62.600 arbeiders één van de grootste in het land. De SNTM vertegenwoordigt 98% van hen en telt dan ook 966 bedrijfsafdelingen. Ze hebben 70 permanente syndicale kantoren. Ze vertegenwoordigen vier sectoren: de metaalindustrie, de mechanische industrie, de recyclage en de auto-industrie. Sinds 2003 is de SNTM een partner van de metaalvakbond van het ABVV.

De Waalse en Brusselse vleugel MWB zijn sinds 2006 nog meer actief. Zo zijn er elk jaar uitwisselingen rond specifieke thema’s zoals onderhandelings- en vormingsmethodieken.

 

Peru
De vakbond als ontmoetingsplaats


In de provinciesteden van Peru is het vakbondsgebouw vaak het enige gebouw in de stad dat een infrastructuur heeft: een zaaltje, een vergaderlokaal met een tafel. Daardoor wordt het vakbondsgebouw in de wijk of stad het centrum van heel wat sociale activiteiten. Het is er een drukte van jewelste, en allerhande verenigingen maken er hun opwachting. Sommige medewerkers wonen ver weg van waar ze werken en logeren soms in de vakbondsgebouwen zelf.

Het sociale leven rond de vakbond maakt dat, wanneer ze mobiliseren voor een of andere actie, de zaal veelal te klein is. Soms vormt zich zelfs een jobmarkt rond de gebouwen. In Peru worden arbeiders vaak nog uitgekozen door de “patroon" zoals bij ons lang geleden: een voor een worden ze uit een rij gepikt voor de poort van de werf.

In Peru werken we met de arbeiders uit de bouwsector. Het verenigen van bouwvakarbeiders is er moeilijk. Bijna alle arbeiders zijn dagloners, die elke dag weer een job hopen te vinden of slechts voor de duur van een werf worden aangeworven. Vaak zijn het eigenlijk kleine boeren die in de maanden dat er geen oogst is, of geen werk op het land, bijklussen in de bouw. Dat belet niet dat er een grote solidariteit is tussen de arbeiders. Toen in augustus 2007 een aardbeving het leven kostte aan meer dan 300 mensen, en velen dakloos maakte, organiseerde de vakbond bouwkampen om de huizen steviger herop te bouwen.
De bouwarbeiders zijn dan ook fier dat de huizen die zij bouwen beter bestand zijn tegen de regelmatig voorkomende aardschokken.

Er wonen bijna drie keer meer mensen in Peru dan in België, maar Peru is wel veertig keer groter. Ongeveer de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens, dat is tien procent meer dan in 1985. De jaren negentig werden er gekenmerkt door het harde neoliberale regime van Fujimori. Sommigen noemden het een dictatuur, er werd in ieder geval komaf gemaakt met de sociale dialoog. Er waren bijna 10 jaar lang geen CAO-onderhandelingen meer in de bouwsector.

Aan dat regime is ondertussen wel een eind gekomen sinds de presidenten Toledo en Garcia aan de macht kwamen na 2000. Zo heeft men het land meer proberen te decentraliseren, niet alles begint en eindigt nog in Lima. En dat laat zich ook bij de vakbonden gevoelen, ook zij proberen zich over het gehele land te vestigen.

 

Onze Partners

FTCCP

De FTCCP (Federación de Trabajadores en Construcción Civil del Perú de federatie van de arbeiders in de bouw in Peru) bestaat uit 57 vakbonden in de bouwindustrie in Peru. Ze organiseert 10% van de ongeveer 370.000 arbeiders in de bouw. De FTCCP is partner van de Algemen Centrale van het ABVV.

CGTP

La CGTP, ou ‘Confederación General de Trabajadores del Perú’ is een confederatie van 29 vakcentrales, waarvan de FCCTP er één is. De CGTP brengt 1.5 miljoen arbeiders onder een dak en heeft 25 filialen over het gehele land. Ze telt naast de vakcentrales ook nog eens 85 direct aangesloten bedrijfsvakbonden.
Het ABVV heeft de CGTP tot 2006 in zijn decentralisatie ondersteund, met name in de Zuidelijke interprofessionele afdelingen Ica, Cuzco en Arequipa. Vanaf 2009 wordt die samenwerking terug op de rails gezet, met ondersteuning van het ABVV Intergewestelijke Brussel.