Naar een interprofessioneel akkoord 2011-2012

maandag, 29 november 2010

Vakbond ABVV | FOTO BELGA De Groep van Tien: onderhandelaars van vakbonden en werkgevers

De onderhandelingen voor het komend Interprofessioneel Akkoord (IPA) 2011-2012 zijn gestart op 15 november 2010.

 

Volgens de zogenaamde ‘Groep van 10’ - de vertegenwoordigers van vakbonden en werkgevers - zullen deze onderhandelingen moeilijk zijn, niet alleen door de tegengestelde opinies van werknemers en patroons, maar ook door de economische situatie. Onze economie is nog niet hersteld van de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog.

 

In dit dossier:

 

Wat is een IPA?

Werkgeversorganisaties en vakbonden komen om de 2 jaar samen in de ‘Groep van 10’ om te onderhandelen over een IPA, interprofessioneel akkoord, ook wel “centraal akkoord" genoemd.

 

Dit akkoord - als het tot een akkoord komt - heet ‘interprofessioneel’ omdat het van toepassing is op alle sectoren uit de privésector, d.w.z. zo ’n 2,6 miljoen werknemers. Het akkoord legt voor twee jaar de loon- en arbeidsvoorwaarden vast en vormt de basis voor verdere onderhandelingen over CAO’s (collectieve arbeidsovereenkomsten), in de sectoren en later in de bedrijven.

 

De thema’s die bij dergelijke onderhandelingen aan bod komen, hangen af van de eisen van de gesprekspartners. De werkgevers komen regelmatig met eisen i.v.m. lastenverlagingen, loonmatiging, flexibiliteit, … De vakbonden hameren vooral op het thema solidariteit. Ze proberen voor de werknemers uit de zwakkere sectoren voordelen te bekomen (bijv. de verhoging van het minimum bruto maandloon). Zoniet zouden alleen de sterke sectoren zulke voordelen uit de brand kunnen slepen.

 

De lonen vormen hét centrale thema van de IPA-onderhandelingen. Is er marge voor een loonsverhoging, rekening houdend met de economische situatie?

 

De Groep van 10

De tweejaarlijkse interprofessionele onderhandelingen spelen zich af in de zogenaamde Groep van 10, een groep van 11 (!) topvertegenwoordigers van de federale sociale gesprekspartners:
 

  • Werknemersorganisaties
    2 vertegenwoordigers van het ABVV (voorzitter Rudy De Leeuw en algemeen secretaris Anne Demelenne)
    2 vertegenwoordigers van het ACV
    1 vertegenwoordiger van het ACLVB
     
  • Werkgeversorganisaties
    2 vertegenwoordigers van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen)
    1 vertegenwoordiger van UNIZO (Unie van Zelfstandige Ondernemers)
    1 vertegenwoordiger van de UCM (Union des Classes Moyennes)
     
  • 1 vertegenwoordiger van de Boerenbond

 

De voorzitter van de groep is traditioneel de voorzitter van het VBO, maar hij wordt niet meegerekend in de groep van 10.

 

De regering zit niet mee aan deze onderhandelingstafel, maar moet naderhand het akkoord wel goedkeuren, zeker als ze met extra geld over de brug moeten komen. Maar volgens ontslagnemend eerste minister Leterme (CD&V) is er geen extra geld.

 

Het CRB-rapport

Om te kunnen onderhandelen over de lonen moet de economische situatie gekend zijn. Hiervoor wordt beroep gedaan op de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB).

 

De CRB is een raad waar sociale gesprekspartners overleggen. Zo worden de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers betrokken bij de uitwerking van het economisch beleid. De raad is bevoegd voor alle kwesties die van belang zijn voor het bedrijfsleven, hij heeft alleen een adviserende opdracht. De Raad is ook een studieschakel van het economisch beleid, die zijn voorstellen samenvat in adviezen ten behoeve van de economische beleidmakers.

 

De publicatie begin november van het technisch verslag van de CRB over de maximaal beschikbare marges voor de loonkostontwikkeling, is dus het startsein voor de IPA-onderhandelingen.

 

Samengevat:

  • Te verwachten groei in 2011-2012: 1,7% per jaar
  • Loonevolutie in België in 2009-2010: 3,9%
  • Loonevolutie in Duitsland, Frankrijk en Nederland in 2009-2010: 3,4%
  • Loonsubsidies van de overheid aan de werkgevers in 2010: 9,2 miljard euro
  • Te verwachten loonindexering in 2011-2012: 3,9%
  • Beschikbare loonkostenmarge voor de Belgische lonen in 2011-2012: 5 % (1,5 % in 2011, 3,4 % in 2012)

Het volledige CRB-rapport kan je lezen op www.ccecrb.fgov.be.
 

Vakbond ABVV | FOTO BELGA vertegenwoordigers vakbonden bij IPA-onderhandelingen 
 

De lonen

Maar natuurlijk zeggen bovenstaande cijfers niet alles. Los van het CRB-rapport dat de neerslag is van een consensus en een compromis tussen sociale gesprekspartners, willen we ook wijzen op een aantal evoluties die geen deel uitmaken van het CRB-verslag. Deze trends bepalen evengoed de context waarin we moeten onderhandelen en discussiëren met de politieke wereld.

 

Armoede en ongelijkheid

  • De ongelijkheid neemt al 30 jaar toe, maar dankzij ons sociaal model doen we het niet slecht in verhouding tot de andere Europese landen. Bij het voorkomen van armoede speelt de sociale zekerheid een essentiële rol.
     
  • Werk biedt geen volledige bescherming tegen armoede: 20 tot 25% van de armen heeft een baan. Van de actieve werknemers zijn er zo’n 4,8% “working poor" (arme werknemers). Zij verdienen minder dan 899 euro per maand. Het minimumloon ligt op 1.415 euro. Het gaat hier om deeltijdse werknemers, uitzendkrachten of mensen met contracten van bepaalde duur.
     

Lonen

  • Sinds het begin van de jaren ‘80, daalt het loonaandeel in het bruto binnenlands product (BBP), in België en in heel Europa. Dankzij ons systeem van automatische indexering konden onze lonen beter weerstand bieden.
     
  • We kunnen niet spreken over een “ontsporing" van de lonen. Onze lonen blijven binnen het gemiddelde van onze buurlanden.
     
  • De loonkloof bij de maandlonen tussen vrouwen en mannen loopt op tot 23%.
     
  • Het loon van een topmanager = 18 x het gemiddeld loon van een werknemer!
     
  • Voor de topmanagers werd de loonmatiging op het basisloon gecompenseerd door bonussen die vandaag opnieuw het niveau van vóór de crisis bereiken.
     
  • De lonen uit de privésector worden gedeeltelijk door de gemeenschap betaald onder de vorm van fiscale subsidies, verlagingen van sociale bijdragen, werkgelegenheidsmaatregelen.
     

Inkomens

  • De kloof tussen hoge en lage inkomens vergroot.

 

Meer duiding bij deze trends vind je in de ABVV-publicatie
‘Sociaal-economische Barometer 2010’.

 

 

Onze eisen

Al deze trends indachtig, is dit wat het ABVV eist:
 
  • Einde van de blanco cheques aan de werkgevers; overheidssteunmoet afhankelijk gemaakt worden van:

    - kwaliteitsvolle banen en dus geen dagcontracten meer in de interim; geen nieuwe flexibiliteit, geen stimulering van overuren

    - vorming/opleiding voor de werknemers;

    - investeringen;

    - onderzoek en ontwikkeling 
     
  • Behoud van de vrijheid van onderhandelen in de sectoren: terugkerende bruto loonsverhogingen en geen kader voor afspraken gericht op netto verhogingen zoals eco-cheques
     
  • Optrekking van het bruto gewaarborgd minimuminkomen en gelijktrekking van de jeugdminimumlonen
     
  • Behoud van de automatische indexatie en de baremieke verhogingen en geen interprofessionele 'all-in' formules
     
  • Een geprogrammeerde afschaffing van de discriminaties tussen arbeiders- en bediendestatuten, met een significante verbetering in de periode 2011-2012
     
  • Een verbetering van de terugbetaling van de vervoersonkosten met het openbaar vervoer
     
  • Een verbetering van het wettelijk pensioen
     
  • De verlenging van de akkoorden m.b.t. de brugpensioenen en de vormingsinspanningen voor de risicicogroepen. Meer bepaald:

    - De bijzondere brugpensioenregelingen (20 jaar nachtarbeid, verminderde arbeidsgeschiktheid in de bouwsector, en het halftijds brugpensioen)

    - CAO 92 (brugpensioen lange loopbaan)

    - Het systeem van innovatiepremie

    - De werkgeversbijdrage van 0,10% voor de inspanningen ten voordele van de personen die behoren tot de risicogroepen

    - De werkgeversbijdrage van 0,05% voor de financiering van het plan inzake de collectieve begeleiding en opvolging van werklozen

    - De vrijstelling van de startbaanverplichting indien de sector een werkgeversbijdrage van 0,15% voorziet voor risicogroepen