Brochures > De Europese vennootschap: Welke gevolgen voor de werknemers?
Voorwoord

 

Op 8 oktober 2001 heeft Europa de juridische instrumenten aangenomen waardoor een nieuw soort vennootschap, de "Europese vennootschap", opgericht kan worden.

De bedoeling is dat de vennootschappen hun juridische structuur kunnen aanpassen aan hun reeds bestaande Europese economische structuur. M.a.w. om te kunnen functioneren met één enkele rechtspersoon in de hele Europese Unie, zonder dat ze rechtspersoonlijkheid in elke lidstaat moeten verwerven.

Met deze globalisering van het vennootschapsrecht gaat ook een globalisering van de rechten van de werknemers gepaard. Beide zijn nauw met elkaar verbonden: het is immers onmogelijk een Europese vennootschap te laten registreren als niet eerst de rol van de werknemers in die Europese vennootschap geregeld is. En precies dit is nieuw voor Europa: voor één keer gaat het sociale samen met het economische!

Tegen 8 oktober 2004 ten laatste moet België in zijn wetgeving alle regels opnemen om in de Europese vennootschap het sociale en het economische met elkaar te combineren. Dit noemt men de omzetting in het Belgische recht.

In deze brochure behandelen we de goedgekeurde Europese teksten.

Het is niet evident om te voorspellen wat er na 8 oktober 2004 zal gebeuren, noch te zeggen hoeveel groepen gebruik zullen maken van de "Europese vennootschap". Om de eenvoudige reden dat er voor de vennootschappen, Belgische of buitenlandse, geen enkele verplichting bestaat om zich tot Europese vennootschap om te vormen. Ze kunnen evengoed stellen dat dit
statuut hen niet interesseert.

Wat wel zeker is, is dat wanneer de onderneming een initiatief neemt, men gedurende zes maanden - die met evenveel maanden verlengd kunnen worden - zal moeten onderhandelen over alle aspecten van een grensoverschrijdend orgaan voor de vertegenwoordiging van de werknemers, dat vergeleken kan worden met de Europese ondernemingsraad. Dit is meteen een nieuwe uitdaging voor de vakbonden.

Dit nieuwe Europese orgaan, dat bevoegd is voor de informatie en de raadpleging van de werknemers, komt bovenop de in ons land bestaande sociale overlegorganen (vakbondsafvaardiging, ondernemingsraad, comité preventie en bescherming op het werk) die
normaal zullen blijven voortwerken.

De onderhandelingen moeten eveneens betrekking hebben op het derde luik van de werknemersbetrokkenheid, nl. de medezeggenschap.

Dankzij de Europese ondernemingsraad hebben onze ABVV-afgevaardigden al heel wat ervaring opgebouwd met onderhandelen en het werken met een zuiver Europees orgaan. Die ervaring zou wel eens heel nuttig kunnen blijken in het kader van de Europese vennootschap.

Het is inderdaad zo dat de ABVV-afgevaardigden tweemaal betrokken partij zullen zijn.

Enerzijds nemen ze deel aan de onderhandelingen over dit orgaan, rechtstreeks als ze een mandaat hebben, of onrechtstreeks.

Anderzijds vormen de aanwezigheid van de werknemers in dit nieuwe transnationale orgaan en desgevallend de medezeggenschap in de sociale organen van de Europese vennootschap een grote uitdaging voor de vakbeweging.

Daarom hebben wij geoordeeld dat onze afgevaardigden in een eerste fase beter ingelicht moesten worden over de complexe mechanismen, de gevolgen en de inzet van de Europese vennootschap.

Wij hopen dan ook dat deze brochure alle ABVV-afgevaardigden en hun secretarissen zal helpen zich voor te bereiden op een mogelijke overgang van hun vennootschap naar het statuut van Europese vennootschap. En dat ze ook diegenen, die in een Europese ondernemingsraad zetelen, argumenten zal geven voor de komende of lopende discussies over de mogelijke
omvorming van (een deel van) hun groep tot Europese vennootschap.

André Mordant

Algemeen Secretaris

Mia De Vits

Voorzitter

 
 

 

 

 

Index Aller à la page précédenteAller à la page suivante
Back to top