Brochures > De Europese vennootschap: Welke gevolgen voor de werknemers?
Deel I : de Europese vennootschap

1.Wat is de Europese vennootschap?

Er is nu de mogelijkheid voor vennootschappen, ongeacht hun omvang, om vanaf 8 oktober 2004 een nieuw soort vennootschap op te richten: de Europese vennootschap.

Dit is facultatief: de bedrijven kunnen een Europese vennootschap (SE) oprichten, maar er bestaat geen verplichting!

Bedrijven die dit wensen kunnen, door het statuut van SE aan te nemen, hun activiteiten in de hele Europese Unie (EU) uitoefenen vanuit een en dezelfde rechtspersoon, erkend in alle EU-lidstaten. Dit zal eveneens mogelijk zijn in de kandidaat-landen die straks tot de EU toetreden.

De officiële benaming van deze vennootschap is de societas europea of SE, deze zal dan ook in de hele Europese Unie gelden.

Een economische operator kan dus onder EU-vlag in meerdere EU-landen actief zijn, met één enkele juridische structuur (zelfde koepel) zonder dat men rekening moet houden met de nationale rechten van die landen, maar met inachtneming van een geheel van Europese regels die gelden over het hele grondgebied van de EU.

Ook al is dit een grensoverschrijdend statuut, er is nog steeds een nationale verankering: de SE moet in de Lidstaat ingeschreven staan waar het hoofdbestuur gevestigd is.

De grondidee is dus in gehele EU actief kunnen zijn, zonder in elke afzonderlijke Lidstaat rechtspersoonlijkheid te moeten verwerven.

Kortom, de juridische structuur aanpassen aan de economische structuur, die reeds op een Europese leest geschoeid is.

Dit nieuwe juridische statuut komt bovenop de statuten die vandaag in de lidstaten bestaan.

2.Waarom kiezen voor het statuut van Europese vennootschap?

Van patronale kant, meer bepaald vanwege de multinationale ondernemingen (MNO’s), wordt al zo’n 30 jaar lang gevraagd om de activiteiten in heel Europa te kunnen uitoefenen zonder rekening te moeten houden met een telkens ander nationaal vennootschapsrecht.

Het statuut van SE, dat uiteindelijk goedgekeurd werd, verleent hen dus de mogelijkheid om zich anders te organiseren, op grensoverschrijdend niveau.

De Europese wetgever heeft de mogelijkheid om dit statuut te verwerven, niet beperkt tot de grote bedrijven of multinationale ondernemingen. Het volstaat dat een klein of middelgroot bedrijf een dochteronderneming heeft in een ander EU-land en daarbij ook de mogelijkheid heeft een bedrijfskapitaal van 120.000 € te mobiliseren.

Het statuut van SE biedt volgende voordelen:

Uitvoeren van twee verrichtingen, momenteel onmogelijk voor de nationale bedrijven:

· grensoverschrijdende fusie van bedrijven. Het verwerven van het statuut van SE zou bijgevolg zijn vertaling moeten vinden in een toename van het aantal bedrijfsconcentraties;

· overheveling van de maatschappelijke zetel naar een andere lidstaat, zonder eerst te moeten overgaan tot de ontbinding van de vennootschap of tot het oprichten van een nieuwe rechtspersoon.

Ontsnappen aan de nationale administratieve en juridische verplichtingen, in het bijzonder in het kader van een groep van vennootschappen, om over te stappen naar een Europese dimensie. Kortom, verwerving van een Europese dimensie zonder dat men onderworpen is aan de verplichtingen die voortvloeien uit de nationale rechtsorde van de landen waar de groep gevestigd is. Het is bijvoorbeeld niet meer nodig om telkens een aparte Raad van Bestuur op te richten.

• Laten samenvallen van de economische en de juridische entiteit: Europese entiteit voor beheer en publicatie van financiële informatie over de grenzen heen.
Mogelijkheid tot het realiseren van schaalvoordelen en faciliteiten om de juridische structuur te herzien, te vereenvoudigen of te reorganiseren en middelen samen te brengen (joint-venture).

Mogelijk fiscaal vehikel: fiscaal gesproken, krijgt een SE precies dezelfde behandeling als om het even welke multinational: belastingstelsel van het land waar de zetel gevestigd is en nationaal belastingstelsel voor de dochterbedrijven. De Europese Unie koos voor een neutrale fiscaliteit: de SE blijft onderworpen aan de belastingen en heffingen van alle Lidstaten waar ze zich gevestigd heeft.
In het kader van de fusie zou de SE moeten genieten van de richtlijn m.b.t. het gemeenschappelijk fiscaal stelsel van toepassing bij fusies, bij opsplitsing van vennootschappen in de Lidstaten (90/434/CEE).

De SE legt nog meer de nadruk op de noodzaak tot fiscale harmonisering.Wanneer men binnen de EU niet komt tot het bepalen van een minimumheffing en van een minimale belastinggrondslag, dan zou het statuut van SE de oneerlijke fiscale concurrentie nog meer in de hand werken .

Opmerking: de werkgevers hebben een aantrekkelijk fiscaal statuut gevraagd voor de SE: fiscale consolidatie en keuze van de plaats waar de belasting geheven wordt.

Voor de bedrijven en de groepen bedrijven betekent dit in de praktijk een ‘revolutie’: de SE maakt het mogelijk te ontsnappen aan het gangbare model voor ontplooiing van Europese activiteiten via een netwerk van dochterbedrijven, opgericht en ingeschreven in elk land van inplanting.

Een dochteronderneming is een commerciële instelling die opgericht wordt door een vennootschap of een bedrijf, maar is juridisch gezien niet verschillend. Het is een uitbreiding van het betrokken bedrijf.

3. Welke zijn de grondslagen van de EV?

Op 8 oktober 2001 keurde de EU twee onderling verbonden instrumenten goed, waardoor de oprichting van een SE mogelijk wordt:

De Europese verordening (vennootschappenrecht) 2157/2001 inzake de Europese Vennootschap. Ter herinnering: een verordening is volledig van toepassing in de hele EU.

De richtlijn (sociaal recht) 2001/86 over de rol van de werknemers in de SE.

Ter herinnering: elke lidstaat moet een richtlijn in zijn nationale wetgeving omzetten en heeft een (beperkte) ruimte voor een aantal punten ervan.

Op die manier geeft Europa elk land een (beperkte) speelruimte om bepaalde punten of passages uit de tekst van de richtlijn te verbeteren, er nuances in aan te brengen, eigen accenten in te leggen.

Toch ziet de Commissie er op toe dat er een zekere Europese eenheid bewaard blijft inzake de richtlijn. De Commissie heeft dan ook, in navolging van wat er m.b.t. de Europese ondernemingsraad gebeurde, een groep met deskundigen (vertegenwoordigers van de betrokken overheidsadministraties) opgericht. In mei 2003 rondde deze groep zijn werkzaamheden af met een Europese richtinggevende tekst over de punten die voor interpretatie vatbaar zijn.

De lidstaten moeten deze richtlijn ten laatste tegen 8 oktober 2004 in hun de nationale wetgeving omgezet hebben.

Dit kan gebeuren:

• hetzij via wetgevende weg,

• hetzij via collectieve overeenkomst, zoals dit bijvoorbeeld het geval was voor de richtlijn m.b.t. de EOR (Europese ondernemingsraad).

Voor de onderdelen van de richtlijn die de sociale gesprekspartners niet kunnen regelen (bevoegdheid rechtbanken, bescherming delegees, controle, …) werd deze collectieve overeenkomst (CAO nr 62) aangevuld met een wet en een KB .

Voor haar werking moet een SE rekening houden met een drievoudige basis:

a. een Europese basis:

d.w.z. de verordening en de omzetting in de nationale wetgeving van de richtlijn. Deze teksten zijn in zekere zin de ruggengraat, de harde kern, die fundamentele kwesties regelt (zoals de oprichtingsmodaliteiten en de rol van de werknemers). Hierbij dient opgemerkt dat het niet mogelijk is dat een SE opgericht wordt en begint te werken vooraleer het sociale luik over de rol van de werknemers geregeld werd.

b. een nationale basis:

· de nationale wetgeving op de NV’s van het land waar de statutaire zetel zich bevindt (d.w.z. het land waar het centraal bestuur is gelegen) voor het luik dat niet door Europa geregeld wordt. Bijv. een in Nederland, België en Frankrijk gevestigde SE met zetel te Amsterdam moet voor alle vestigingen de Nederlandse wetgeving op de NV’s toepassen (meer bepaald inzake opstellen en openbaarheid van de jaarrekeningen, wettelijke verplichtingen van de bestuurders, controle op de gelijkmatigheid van de oprichting, …);

· de wetgeving van het land waar de statutaire zetel zich bevindt is van toepassing voor de onderhandelingsprocedure m.b.t. de rol van de werknemers tussen de directie van een SE en de BOG (bijzondere onderhandelingsgroep) bestaande uit werknemersvertegenwoordigers. Hetzelfde geldt voor de subsidiaire bepalingen die van toepassing zijn wanneer deze partijen niet tot een akkoord komen (zie verder).

De richtlijn noch de verordening wijzigen het nationaal sociaal recht van de landen waar de SE gevestigd is. De regelgeving inzake de syndicale afvaardiging, het CPBW, de OR, de CAO’s, de arbeidsovereenkomsten, … wordt niet gewijzigd wanneer een bedrijf deel uitmaakt van een SE.
De omzetting van de richtlijn over de rol van de werknemers in de SE zal nieuwe specifieke rechten voor de werknemersvertegenwoordigers met zich meebrengen, maar dan wel louter en alleen in het kader van een eventuele SE.

c. een statutaire basis:

De oprichters van een SE leggen de statuten vast (op maat) bij de oprichting zelf. De statutaire basis is dus hetgeen bepaald is in de eigen statuten die bij de oprichting moeten worden opgesteld, zoals bijvoorbeeld het aantal bestuurders en de keuze van een systeem van structuur van de vennootschap.

 

Monistisch systeem
Dualistisch systeem
De SE wordt bestuurd door een bestuursorgaan De SE wordt bestuurd door een directieorgaan
Benoemd door de algemene vergadering

Toezichtorgaan: controleert, benoemt en ontslaat het directieorgaan.

Benoemd door algemene vergadering en desgevallend door werknemers.

In België wordt momenteel het monistisch systeem toegepast. België kan wel voor de SE de bepalingen van het dualistisch systeem in zijn nationale wetgeving opnemen. Het dualistisch systeem (met twee organen) wordt bijvoorbeeld toegepast in Duitsland en in Oostenrijk. De werknemers benoemen de bestuurders-, werknemersvertegenwoordigers in de raad van toezicht (zie deel drie: het Duitse systeem).

Omwille van die drievoudige basis kunnen we dus niet spreken van een uniforme werking van alle SE in de gehele EU.

De ABVV-afgevaardigden uit een multinationale onderneming, waarvan de hoofdzetel in een andere lidstaat gevestigd is en die het statuut van SE aanneemt, zullen dus rekening moeten houden met de wetgeving van de gekozen statutaire zetel.

Bij de oprichting van de SE mag deze zetel alleen maar gelegen zijn in het land waar het hoofdbestuur gelegen is (d.w.z. de daadwerkelijke zetel) (zie art.7 verordening). Die kan evenwel later overgeheveld worden!

Index Aller à la page précédenteAller à la page suivante
Back to top