Waarom het pleidooi voor meer flexibiliteit en nachtarbeid verontrustend is

Waarom het pleidooi voor meer flexibiliteit en nachtarbeid verontrustend is

In een opiniestuk legt algemeen secretaris Miranda Ulens uit waarom het pleidooi voor meer flexibiliteit en nachtarbeid verontrustend is. "Slechte arbeidsomstandigheden en een overdosis flexibiliteit zijn niet alleen sociaal onwenselijk, maar vormen ook een rem op tewerkstelling en op economische groei". Ze sluit af met een oproep: "Laten we daarom samen werk maken van betere arbeidsomstandigheden en billijker (minimum)lonen voor lager geschoolden".

Dit stuk verscheen op de opiniepagina's van De Morgen.  

 

Het VBO pakte deze week uit met haar campagne ‘It is still the economy, stupid’ waarmee ze de loftrompet steekt over het gevoerde beleid van de regering Michel en ze de economie een centrale plaats wil geven in de aanstormende verkiezingscampagne. Haar gedelegeerd bestuurder, Pieter Timmermans, legde in een interview in de deze krant (DM 9/4) de nadruk op de nood aan meer flexibiliteit en nachtwerk. Want door te veel regels zouden we nu jobs mislopen, vooral voor lage geschoolden.

Correct beeld ophangen

In tegenstelling tot het beeld dat vaak wordt opgehangen is de Belgische arbeidsmarkt verre van rigide. De OESO, de denktank van de rijke landen, kent ons land een 9de plaats toe in een ranking van 29 OESO-landen voor niet-standaard werk (OESO, 2016). Interimwerk en zelfs opeenvolgende dagcontracten kennen een hoge vlucht.

De regering-Michel versoepelde de arbeidswetgeving en vooral overuren en overwerk. Trouwens, ook op vlak van e-commerce doen we het lang zo slecht niet: de e-commerce haalt een jaar-op-jaargroei van 12 procent (Ecommerce Foundation) en 80 procent van het online winkelen in 2017 vond plaats op websites van nationale verkopers (Eurostat).

Grenzen onder druk

Maar er zijn grenzen aan arbeidsflexibiliteit, en zeker aan nachtarbeid. Nachtarbeid is schadelijk voor de gezondheid. Alle studies wijzen dat uit. Het langdurig presteren van nachtarbeid is overigens een zwaar beroep, één van de weinige die op vandaag erkend zijn, zij het enkel in het kader van een paar uitzonderingsregimes in het brugpensioen. Over de erkenning van zware beroepen in het kader van de pensioenen kon zoals geweten is, geen consensus worden bereikt.

Die begrenzing van arbeidsflexibiliteit staat onder zware druk. De regering-Michel versoepelde de arbeidswetgeving met haar ‘wet werkbaar en wendbaar werk’. De mogelijkheid om werknemers langer en flexibeler te doen werken werd drastisch uitgebreid, zowel op dagbasis, weekbasis, jaarbasis als op basis van de productiecyclus. Waar dit in het verleden doorgaans gekoppeld was aan de voorwaarde van voorafgaandelijk overleg met de vakbonden, werd ook dit versoepeld. De werkgever kan de werknemer voortaan zogenaamde ‘vrijwillige overuren’ laten presteren in onderlinge afspraak, zonder syndicale bemiddeling.

Niet ridiculiseren

Het pleidooi van de gedelegeerd bestuurder van het VBO is bijzonder verontrustend. Vooreerst omdat hij de natuurlijke weerstand tegen nachtarbeid ridiculiseert. De vaststelling dat jongelui om middernacht uitgaan tijdens het weekend toont volgens hem aan “hoe stom het is dat bij ons in tegenstelling tot in Nederland, nachtarbeid officieel ingaat om 20 uur in plaats van 24 uur” (Le Soir 8/04/19). Uitgaan tijdens het weekend vergelijken met nachtarbeid, het kan tellen. Bovendien komt het VBO met nieuwe voorstellen voor extra flexibiliteit op de proppen daags nadat afspraken werden gemaakt met de vakbonden om het aantal vrijwillige overuren uit te breiden van 100 naar 120 uren op jaarbasis ( in het kader van een reeks deelakkoorden na het afspringen van het Interprofessioneel Akkoord voor 2019-2020). 

Werkgeversorganisaties voelen zich kennelijk niet gebonden aan gemaakte afspraken, maar van vakbonden wordt in dat geval wel sociale vrede verwacht.

Maar er is meer aan de hand. Waar het de werkgevers vooral om te doen is, is het bekomen van volledige autonomie op vlak van arbeidsorganisatie. Zonder tussenkomst van vakbondsafgevaardigden. Vandaar zijn pleidooi om te “kunnen experimenteren met proefprojecten: een tweetal jaar aan de slag gaan met werknemers die vrijwillig openstaan voor extra flexibiliteit”. Lonen vastgelegd via een bindende loonnormwet en arbeidsomstandigheden eenzijdig vastgelegd op ondernemingsniveau: ziedaar de ideale wereld van het VBO.

Bijkomend gat in de sociale zekerheid

De gedelegeerd bestuurder van het VBO beweert in hetzelfde interview dat flexibiliteit vooral jobs oplevert voor laaggeschoolden en dat vakbonden precies daarom flexibiliteit zouden moeten omarmen in plaats van a priori een veto te stellen. Dat flexibiliteit een garantie is op extra jobs valt nog te bezien. Wat wel vaststaat, is dat 38 procent van de knelpuntvacatures gelabeld zijn als ‘moeilijke werkomstandigheden’.

Kijk maar naar het fenomeen van de flexi-jobs. Ook een middel waarbij reguliere arbeid (vaak voor lagere profielen) vervangen wordt door nepstatuten waarmee bovendien een bijkomend gat in de sociale zekerheid wordt gecreëerd. Bovendien een mooi voorbeeld van het feit dat werkgevers in de strijd om de krapte op de arbeidsmarkt niet geïnteresseerd zijn in de werklozen, maar in tewerkgestelden die ze via flexibilisering meer willen inzetten om de krapte op te vullen.

Met andere woorden slechte arbeidsomstandigheden en een overdosis flexibiliteit zijn niet alleen sociaal onwenselijk, maar vormen ook een rem op tewerkstelling en op economische groei. Laten we daarom samen werk maken van betere arbeidsomstandigheden en billijker (minimum)lonen voor lager geschoolden. Dan kunnen we straks samen de 75ste verjaardag vieren van het Sociaal Pact, een pact dat gestoeld is op evenwichtige afspraken tussen werkgevers en vakbonden.