Het leven wordt duurder, hoe komt dat?

Het leven wordt duurder, hoe komt dat?

De prijzen stijgen en de facturen verhogen. Veel mensen slagen er niet meer in de eindjes aan elkaar te knopen. De koopkracht moet omhoog. Niemand mag achterblijven.

Werknemers die hard werken, maar die er op het einde van de maand toch niet in slagen de eindjes aan elkaar te knopen, het is heus geen louter Amerikaans verschijnsel. Ook in de West-Europese welvaartsstaat zien we het aantal werkende armen toenemen. Volgens de recentste Europese cijfers hebben zo’n 1,8 miljoen een inkomen dat onder de armoedegrens ligt. Voor alleenstaanden is dat 1.139 euro, voor gezinnen met twee volwassenen ligt die grens op 2.392 euro.

Het leven wordt flink duurder. De lonen volgen helaas onvoldoende die stijgende lijn. Naar verklaringen is het niet ver zoeken. Wij zetten één en ander op een rijtje.

Bedrijven en aandeelhouders

De financiële moeilijkheden van veel gezinnen zijn geen toeval, noch het gevolg van één of andere natuurwet, zoals de zwaartekracht. Ze zijn het gevolg van politieke beslissingen.

Sinds een jaar of veertig daalt het aandeel van de lonen in de jaarlijks geproduceerde rijkdom, ten voordele van de inkomsten uit kapitaal. Tot die laatste behoren bijvoorbeeld inkomsten uit aandelen of de verhuur van eigendommen. Nochtans steeg de productiviteit van werknemers wél doorheen die vier decennia. Dit is het duidelijkste bewijs dat de economische koek oneerlijk wordt verdeeld.

De toenemende druk op bedrijven om forse dividenden uit te keren aan hun aandeelhouders heeft overigens een negatieve impact op de investeringen en dus op de tewerkstelling en arbeidsvoorwaarden. Een pure focus op winst verhoogt de druk op de lonen en leidt tot uitbesteding aan de goedkoopste leverancier. Werknemers wereldwijd betalen het gelag.

Loonnorm

Ondertussen worden de vakbonden allerlei stokken in de wielen gestoken. Werknemersorganisaties zijn er immers onder andere om collectief te onderhandelen over loon- en arbeidsvoorwaarden. Collectief, want samen staan we veel sterker dan jij alleen wanneer we over onderhandelen over loon. Wel, met het verstrengen van de fameuze ‘wet van 1996 op het concurrentievermogen’ dwingt de regering de sociale gesprekspartners in een strikt keurslijf, waardoor er praktisch geen onderhandelingsmarge meer is voor opslag.

Index(sprong) en prijsstijgingen

Geen enkele politieke partij voerde in 2014 campagne met de belofte om een indexsprong door te voeren. Logisch, want met dat soort onevenwichtige ingrepen raakt niemand verkozen. Nochtans kregen de Belgische werknemers en zij die van een uitkering leven allemaal een indexsprong te slikken. Dit wil zeggen dat voor één keer de lonen en uitkeringen niet worden aangepast aan de stijgende levensduurte. Voor één keer, maar dit is wel een groot verlies aan koopkracht dat we als een sneeuwbal voor de rest van ons leven meedragen. Dit komt op tienduizenden euro gespreid over een carrière.

Daarnaast is er de samenstelling van de indexkorf. De zogenaamde gezondheidsindex, waarop eventuele indexeringen gebaseerd zijn, sluit een reeks uitgaveposten uit, zoals tabak, alcohol en diesel. Die kostenposten stijgen ook, maar de lonen stijgen dus niet mee. Veel mensen zijn afhankelijk van de wagen om op het werk te raken, omdat investeringen in openbaar vervoer uitblijven. Zo werd de verhoogde dieseltaks één van de druppels die de emmer in Frankrijk deed overlopen, waar het protest van de ‘gele hesjes’ tegen de broeksriempolitiek nu al twee maanden aanhoudt.

Dan hebben we het nog niet gehad over de huur. Die bedraagt soms zelfs tot de helft van het gezinsbudget, maar weegt in de indexkorf slechts voor een schamele 8 procent.

Europa en dumping

Enorme fiscale en sociale verschillen in de zogenaamde Europese eengemaakte markt leiden tot fiscale en sociale dumping. Bedrijven voeren een sociale ‘race to the bottom’ om altijd maar goedkoper te produceren. Lidstaten doen net hetzelfde, maar dan op fiscaal vlak, om grote ondernemingen te lokken met gunstregimes, terwijl ze door de Europese instellingen worden ‘gedwongen’ de besparingspolitiek verder te zetten. En die besparingspolitiek betekent doorgaans koopkrachtverlies voor de mensen. Zij besparen, jij betaalt.

Flexibilisering

Door een doorgedreven flexibilisering is onzekerheid vandaag troef. Zo is deeltijds werk doorgaans geen vrije keuze, maar heeft dit wel gevolgen voor het inkomen. Hetzelfde geldt voor tijdelijke jobs (interim, tijdelijk contract). De inkomensonzekerheid die hiermee gepaard gaat bemoeilijkt het dagelijks leven en is een groot obstakel voor het vinden van een degelijke huur- of koopwoning.

Sociale zekerheid en openbare diensten

De ontmanteling van de sociale zekerheid leidt langzaam maar zeker tot meer armoede. De niet terugbetaalde medische kosten nemen toe en de werkloosheidsuitkeringen nemen sneller af in de tijd. Daarbij komt dat de meeste sociale uitkeringen nu al onder de armoedegrens liggen, terwijl de regering-Michel nochtans beloofde om die te verhogen.

De openbare diensten vormen een belangrijk stuk koopkracht voor de bevolking: openbaar vervoer voor een basismobiliteit, onderwijs als hefboom tegen armoede of kwalitatieve opvang voor kinderen en ouderen. We betalen met z’n allen belastingen om hiervan gebruik te maken. Valt deze publieke dienstverlening weg, of wordt hierin fors bespaard, dan voelen we dit in het gezinsbudget.

Samen-leven

Tenslotte wijzen we nog op de veranderende realiteit van het gezinsleven. Tweeverdieners hebben het iets makkelijker om rond te komen. Vandaag zijn er echter een pak meer nieuw samengestelde gezinnen en eenoudergezinnen, die het financieel vaak lastiger hebben. Torenhoge energie- en woningprijzen zijn voor hen zeer moeilijk te dragen. Deze nieuwe realiteit moet doordringen bij beleidsmakers, opdat deze groepen niet keer op keer slachtoffer worden van het beleid.