Geef de partner meer tijd met de pasgeborene

Geef de partner meer tijd met de pasgeborene

Het ABVV gaat voor minstens 20 dagen geboorteverlof

Willen we echt een gelijke spreiding van zorg en werk tussen de partners, dan is er een beleid nodig dat partners aanmoedigt om van bij de start van het ouderschap een gelijke rol op te nemen. Daarom hield het ABVV vandaag in het federaal parlement een warm pleidooi voor een verplicht en uitgebreid geboorteverlof.

We gaan voor 20 dagen geboorteverlof voor de partner van de moeder. Tien dagen verplicht op te nemen binnen de maand na de geboorte. ‘Verplicht’ zodat de werknemer niet meer onder druk komt te staan om dit verlof niet op te nemen. De andere tien dagen kunnen vrij opgenomen worden vanaf 3 maanden voor de bevalling tot zes maanden nadien. 

Onze adivseur studiedienst Celien Vanmoerkerke was, samen met andere sociale partners, uitgenodigd op een hoorzitting in de Commissie Sociale Zaken om ons standpunt omtrent geboortevelof toe te lichten. Belangrijk, want volgens Vanmoerkerke: "Als het ons menens is met gendergelijkheid dan moeten we ingrijpen bij de komst van een kind in het gezin. Geef de tweede ouder dus meer tijd met de pasgeborene. Dat is in het voordeel van het kind, de arbeidsmarkt én de samenleving."

Stereotiepe rolverdeling

Werknemers in de privésector en contractuelen in de overheidssector hebben recht op 10 dagen geboorteverlof (het vroegere vaderschapsverlof). De eerste drie dagen wordt je loon verder betaald door je werkgever. De volgende 7 dagen worden betaald door de ziekteverzekering (uitkering gelijk aan 82% van het begrensd loon). Je kan deze 10 dagen opnemen binnen de eerste 4 maanden na de geboorte. Sinds 2011 hebben meeouders ook recht op vaderschapsverlof, sindsdien heet dit dan ook geboorteverlof.

Dit geboorteverlof zorgt ervoor dat meer partners de eerste dagen na de geboorte bij de moeder en kind doorbrengen. Maar is geen sprake van een trendbreuk. Bovendien worden niet alle dagen opgenomen, en blijven de cijfers sinds de invoering stabiel.

Belgische RIZIV-cijfers tonen aan dat meer dan 7% van de vaders (of meeouders) het geboorteverlof opnemen niet volledig opnemen. Daarbovenop heb je een kleine 20% die, volgens onderzoek van het Instituut voor gelijkheid in 2011, helemaal niets opneemt. Hoe dat komt? Moederschapsrust als plicht, vaderschapsverlof als recht. Die logica moet er dus uit. 

Verplichten om de druk weg te nemen

Als we het geboorteverlof verplicht maken (net zoals de moederschapsrust) zal de druk wegvallen die er nu wel is op de werknemers om dit verlof niet op te nemen. Wanneer er geen evolutie meer is in de opname noch in de rolverdeling binnen het gezin, is het tijd om in te grijpen en de maatschappij een duw in richting 21ste eeuw te geven.

Daarom pleiten wij voor een verplicht geboorteverlof van twee weken, op te nemen door de partner van de moeder binnen de maand na de geboorte. Jonge gezinnen, die het vaak al moeilijk hebben met de hoge facturen voor huisvesting, energie en de vaak onzekere contracten in het begin van de loopbaan, mogen door die verplichting er niet financieel op achteruit gaan en moeten dus hun volledig inkomen behouden.

Of vaders al dan niet kunnen, mogen of willen thuisblijven mag niet de vraag zijn. Studies wijzen uit dat deze eerste periode na de bevalling de belangrijkste valkuil is om het stereotiepe rollenpatroon te installeren. De aanwezigheid en zorg door beide ouders is daarom belangrijk, zowel voor de hechting tussen ouders en baby als voor het nieuwe rollenpatroon dat zich op dat moment installeert en dat achteraf, bij het hernemen van het werk door de vrouw, soms zeer moeilijk te veranderen is.

Bijkomende 10 dagen

Maar er is meer dan dat. De rolverdeling wordt eigenlijk al gestuurd vóór de geboorte. De maandelijkse controle en de voorbereiding van de komst van de nieuwgeborene wordt veelal door de vrouw gedaan. Niet omdat zij dat wil maar omdat er voor de partner nauwelijks mogelijkheden zijn om zich daaraan te wijden. De verlofdagen wil men natuurlijk liever houden (voor zij die al kunnen kiezen) tot na de geboorte. Daarom pleiten wij voor een bijkomende 10 dagen niet-verplicht geboorteverlof, op te nemen vanaf 3 maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum tot 6 maanden erna. Op die manier kan de rol van elke ouder op hetzelfde ritme ontwikkeld worden.

Maar waarom zouden we dit als maatschappij doen? Sommigen zullen dit zonder meer als betuttelend bestempelen. Elke werknemer is voor hen vrij om die keuzes te maken, wat natuurlijk niet strookt met de realiteit. Het verplichten en het uitbreiden van het geboorteverlof zal leiden tot een evenwichtiger rolverdeling waardoor de druk, ook bij het terug aan het werk gaan, gelijkmatiger verdeeld is.

Als een volgende regering het echt meent met werkbaar werk dan is het uitvoeren van deze kleine maatregel een goede investering op lange termijn. Diverse langetermijnstudies toonden aan dat kinderen van wie de vader thuis is het later beter doen op school én op de arbeidsmarkt.

ABVV-voorstel: verplichten en uitbreiden

Het ABVV pleit voor 20 dagen geboorteverlof.

  • 10 dagen verplicht op te nemen binnen de maand na de geboorte.
  • De andere 10 dagen zijn vrij op te nemen vanaf 3 maanden voor de vermoedelijke bevallingsdatum tot zes maanden na de bevalling.
  • Gedurende de verlofperiode mag er geen inkomensverlies zijn. De werkgever betaalt het gewone loon door de eerste week en betaalt daarna een aanvulling op de uitkering ziekteverzekering.
  • Ook voor wat betreft de moederschapsrust blijven we bij onze eis dat er geen inkomensverlies mag zijn. Een zwangerschap mag geen aanleiding geven tot discriminatie. Het ABVV pleit nog steeds voor het volledig loonbehoud gedurende de volledige periode van moederschapsverlof.
  • De uitkering voor het geboorteverlof moet automatisch aangevraagd en uitbetaald worden, samen met de aanvraag voor de moederschapsrust.
  • Ook werkzoekenden moeten recht krijgen op geboorteverlof. Zeker door de opgedreven controles op beschikbaarheid kan de geboorte van het kind, of de zorg daarvoor de eerste weken, zuur opbreken.

Deze voorstellen hebben zowel betrekking op de private als op de publieke sector.