PB Fiscale fraude Dulbea-studie

Bezuinigingen? Neen, dank u! Fiscale fraude bestrijden? Ja, graag!

Op initiatief van het ABVV werd in het buitengewoon interprofessioneel akkoord IPA 2009-2010 fraudebestrijding als één van de prioriteiten opgenomen.

 

De sociale gesprekspartners verbonden zich ertoe hieraan te werken in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). Bedoeling was aanbevelingen te formuleren om het beleid inzake fraudebestrijding te verbeteren. Maar van bij het begin werden die werkzaamheden in de CRB door de werkgevers geblokkeerd.

 

De strijd tegen fiscale fraude was altijd al het stokpaardje van het ABVV, dat streeft naar een rechtvaardige fiscaliteit, zowel op Belgisch als op Europees niveau. Het ABVV had met genoegen kennis genomen van het Rapport van de Parlementaire “fiscale fraude commissie", waarin het Parlement de conclusies van een internationale studie van professor Schneider had opgenomen. Volgens dit rapport is de zwarte economie in ons land goed voor 60 miljard euro, wat neerkomt op een inkomstenderving van 30 miljard euro voor de Staatskas. Veel meer dus dan de 6,6 miljard waar staatssecretaris M. Clerfayt het over had. Om de omvang aan te tonen van het probleem van de fiscale fraude, dat de goede werking van de Staat en de economie ondergraaft, en om te proberen politieke en economische actoren eindelijk te overtuigen zich in te schrijven in een concreet en daadkrachtig beleid van fraudebestrijding, vroeg het ABVV aan de onderzoeksgroep DULBEA (departement Toegepaste Economie aan de Université Libre de Bruxelles) een studie uit te voeren.
 

Lessen uit de Dulbea-studie


De nieuwe schattingen van de fiscale fraude in België berusten op twee verschillende methodes.

  • 1. De eerste methode

    De eerste methode bestaat in een vergelijking van de gezinsinkomens (die resulteren uit het onderzoek naar de gezinsbudgetten) met de inkomens die natuurlijke personen hebben aangegeven in hun belastingaangifte. Aangezien de notie ‘inkomen’ verschilt in die twee onafhankelijke bronnen, moesten bepaalde corrigerende berekeningen worden gemaakt om de gegevens te kunnen vergelijken.
    Het onderzoek naar de gezinsbudgetten slaat immers op het beschikbaar inkomen van de gezinnen, waarbij zowel met de belaste als met de niet-belaste inkomens wordt rekening gehouden.
    Het inkomen dat in de personenbelasting wordt aangegeven, omvat uitsluitend het totaal netto belastbaar inkomen.
    Omwille van die verschillen werden dus correcties toegepast, waardoor het belastbaar inkomen werd verkregen dat de gezinnen hadden moeten aangeven en het belastbaar inkomen dat blijkt uit de belastingaangiftes ([1]).
    Op basis van het verschil tussen deze twee inkomsten (na correctie) berekent de Dulbeastudie het niet-aangegeven beschikbaar inkomen. Om daaruit het verlies aan fiscale inkomsten voor de Staat af te leiden, gaat Dulbea uit van de veronderstelling dat het aandeel van de betaalde belastingen, ten opzichte van het aangegeven beschikbaar inkomen, overeenkomt met het belastingtarief dat zou moeten worden geheven op het niet aangegeven beschikbaar inkomen.
    Voor 2006 lopen de (op die manier berekende) niet ontvangen inkomsten op tot 20 miljard euro, wat neerkomt op ca. 6% van het BBP. De geldigheid van deze schatting hangt in grote mate af van de waarachtigheid en de juistheid van de gegevens die in het kader van het onderzoek naar de gezinsbudgetten werden verzameld, en meer in het bijzonder van de bereidheid van de deelnemers om de totaliteit van hun inkomsten te onthullen.
     
  • 2. De tweede methode

    De tweede methode werd gebruikt om de fiscale fraude in België te meten en berust op de stelling dat de ‘ondergrondse’ economie in de eerste plaats leidt tot een vermindering van de fiscale inkomsten. Door de reële opbrengst van de belastingen te vergelijken met wat ze zouden moeten opbrengen - als er geen fraude zou bestaan - kan de zwarte economie worden ingeschat.
    Deze methode, die vroeger al werd toegepast door Bizeur (1966), bestaat meer bepaald in een vergelijking van het theoretische en het effectieve BTW-tarief voor een welbepaald jaar, waarbij het resultaat wordt omgezet in volume (= het verlies aan BTW-inkomsten).
    De Dulbeaberekeningen werden uitgevoerd voor 2008: het theoretische BTW-tarief (het gemiddeld gewogen BTW-tarief geleverd door de Europese Commissie) bedraagt 16,77%, terwijl het effectief tarief (de verhouding tussen de ontvangen BTW en het finaal verbruik zoals het in de nationale boekhouding werd opgetekend) 14,12% bedraagt. Het verschil is dus 2,65 procentpunt, of een verlies van 18,8% (=2,65/14,12) in termen van BTW-inkomsten.
    Op basis van het principe dat het geheel van de productie (zowel officieel als ondergronds) bestemd is om te worden verkocht, kan dit verlies ook worden geïnterpreteerd als een percentage van de zwarte economie t.o.v. de handelseconomie, dus als percentage t.o.v. het geheel van de productie-activiteiten.
    Aangezien de verkregen percentages op basis van deze methode, enkel betrekking hebben op commerciële activiteiten, werden ze neerwaarts herzien (in functie van de omvang van de socio-profitsector), om de omvang van de zwarte economie t.o.v. de globale economie (profit en socio-profit) te kunnen meten. En wel omdat de fraudemogelijkheden in de socio-profitsector beperkt zijn (Pacolet en Marchal 2007). In België vertegenwoordigt de socio-profitsector ongeveer één vierde van de economische activiteit (Koning Boudewijnstichting 2001 en Marée en Mertens 2002), zodat volgens onze ramingen de zwarte economie op 14% van de toegevoegde waarde geschat kan worden.
    Door toepassing van de gemiddelde belasting- en aanslagvoet komen wij aan een bedrag van ca. 24 miljard euro aan gederfde fiscale en sociale inkomsten (6,9% van het BBP).
    Als we ons baseren op het gemiddelde aandeel van de sociale heffingen in de taxatie (2/3 fiscale en 1/3 sociale inhoudingen), dan kan de fiscale fraude voor het jaar 2008 op 16 miljard euro (4,6% van het BBP) en de sociale fraude op 8 miljard euro geraamd worden.
     

Misgelopen inkomsten: 20 miljard euro (voor een fraude van 45 miljard). Wat  stelt dat bedrag voor en wat zouden we ermee kunnen doen? 


Om een idee te geven van wat dat bedrag voorstelt:

 
  • Op basis van 20 miljard aan misgelopen inkomsten kost de fraude iedere Belg in feite 150 euro per maand (= 600 euro/maand voor een gezin van 4 personen).
  • 20 Miljard betekent ongeveer 800 euro/maand extra voor iedere gepensioneerde (er zijn 2 miljoen gepensioneerden in ons land).


Wat  zouden we met dat bedrag kunnen doen voor de werknemers en de uitkeringstrekkers:
 

  • Als men er (in een eerste fase) al de helft van zou kunnen recupereren (10 miljard dus) dan zou men het voorstel van het ABVV om de pensioenen met een kwart te verhogen, kunnen realiseren: het berekeningspercentage optrekken van 60 tot 75% van het vroeger verdiende loon voor de werknemers uit de privésector (kostprijs = 2,4 miljard euro). En de pensioenen van morgen zouden betaald kunnen worden (met de resterende 7,6 miljard).
     

De voorstellen van het ABVV


Deze studie toont aan dat het bedrag dat de Staat aan inkomsten misloopt door belastingontduiking op 16 à 20 miljard euro geschat kan worden.
Bij dat bedrag moet dan nog de sociale fraude geteld worden – sociale fraude die eveneens aangepakt moet worden en die op 8 à 10 miljard geraamd kan worden, op basis van een verdeelsleutel 2/3 fiscale fraude, 1/3 sociale fraude.

In deze tijden van financiële en economische crisis moet de strijd tegen de fiscale fraude en tegen de ontsporingen van ons huidig financieel systeem dé prioriteit zijn, zowel op internationaal als op Europees en Belgisch vlak.

In België toont de hoogte van het bedrag aan dat er een enorme marge bestaat om in te grijpen, ondermeer via volgende maatregelen:
 

  • de concrete uitwerking van alle aanbevelingen van de parlementaire commissie over de fiscale fraude;
  • en in het bijzonder de afschaffing van het bankgeheim. In een eerste fase betekent dit op zijn minst de goedkeuring van het voorstel dat de kaap van de Raad van State en van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer al voorbij is. 

Maar op termijn zal ons land, wil het het werk van de belastingadministratie echt efficiënter maken, een systeem moeten invoeren dat vergelijkbaar is met dat wat in Frankrijk bestaat. Daar stellen de banken ieder jaar de gegevens over de rekeningen, de rekeninghouders en de intresten ter beschikking van de Franse belastingadministratie in de vorm van een elektronisch gegevensbestand.

 

[1] De details van de gebruikte methode zijn vermeld in het Dulbea rapport.

 

De powerpoint-presentatie van de persconferentie van maandag 17 mei 2010 kan je hier bekijken en downloaden.